CLEMMINCK

ONT­SNAP­PINGS­KUNST EN ES­CA­PA­DE


¶ Le­vens­vorm of dicht­vorm: vorm ont­staat on­der druk; on­der druk van de mach­tig kne­den­de hand van God, on­der druk van de na­tuur­lij­ke om­stan­dig­he­den zo­als de evo­lu­tio­nist die vier­en­twin­tig uur per dag en een mil­joen jaar in een me­ga-an­num dwin­gend en on­ont­koom­baar acht, on­der druk van de ex­pe­ri­men­teer­drift van een wit­jas in het on­af­han­ke­lijk ge­fi­nan­cier­de la­bo­ra­to­ri­um van de poë­zie. De wit­jas schiep de es­ca­pa­de. Of be­ter: de wit­jas her­ken­de de es­ca­pa­de; te­mid­den van de pro­duc­ten van zijn drift her­ken­de hij de es­ca­pa­de en bom­bar­deer­de haar tot mal voor een pro­duc­tie­lijn.


¶ De do­mi­nan­te bouw­steen van de es­ca­pa­de is de zin van steeds ge­lij­ke groot­te: acht of ne­gen let­ter­gre­pen jam­bisch ver­deeld over vier voe­ten (tadúm tadúm tadúm tadúm). Van be­gin­let­ter tot punt valt de­ze af­ge­ron­de se­man­ti­sche een­heid sa­men met de vers­re­gel, waar­van de es­ca­pa­de­dich­ter er vier per stro­fe, to­taal zes­tien per es­ca­pa­de tot zijn be­schik­king heeft.


De es­ca­pa­de in for­mu­le­vorm: ((tadúm x 4) x 4) x 4.


¶ In­tern, dat wil zeg­gen ten op­zich­te van el­kaar, be­wij­zen de re­gels zich al­ler­eerst die­nend, als een blok in een blok­ken­to­ren, een blok dat het vol­gen­de blok en daar­mee de to­ren als ge­heel mo­ge­lijk maakt; hun waar­de, en daar­mee die van de es­ca­pa­de waar­van ze deel uit­ma­ken, neemt toe als ze ook bui­ten hun in­ter­ne fun­ctie van be­te­ke­nis zijn, als zij be­hal­ve spe­ci­fie­ke, al­ge­me­ne gel­dig­heid krij­gen, los van de on­mid­del­lij­ke con­text. Waar een­re­ge­li­ge zin one­li­ner wordt pres­teert de es­ca­pa­de­dich­ter bo­ven­ge­mid­deld.


¶ Het rijm is om­ar­mend (abba cddc enz.), waar­bij geldt dat als a staand is (bv. leuk in: Een blo­te kont is al­tijd leuk), d dit op­nieuw is en b zo­wel als c sle­pend moe­ten zijn (bv. heilig in: Al­leen zijn woor­den zijn hem hei­lig).


¶ Wat de es­ca­pa­de es­ca­pa­de maakt is (de drei­ging van) de uit­schie­ter, de door­schie­ter, de de­mar­ra­ge: hier en daar waagt de es­ca­pa­de­dich­ter zich lus­tig aan de ont­snap­ping; hij ont­snapt aan de droog­te van het sche­ma en ver­legt zijn pun­ten naar be­lie­ven, waar­door zin en vers­re­gel niet meer per se zul­len sa­men­val­len. Hij ver­plicht zich aan het sche­ma zo­wel als aan het los­ko­men daar­van. De meer­vou­di­ge bin­ding is hem niet vreemd, de voor­waar­de­lij­ke vrij­heid even­min. De es­ca­pa­de­dich­ter waar­deert de be­per­king als uit­gangs­punt en gaat de uit­da­ging aan, die na­tuur­lijk ook al­tijd be­te­kent dat hij niet zal ont­snap­pen aan de im­pe­ra­tief die in het hoofd van el­ke dichter klinkt: ont­snap aan het on­der­maat­se ge­dicht.


¶ Be­paal­de vers­vor­men zou­den zich voor­al voor een be­paald soort in­houd le­nen. De dra­ma­ti­sche lief­de bij­voor­beeld zou zich bij­zon­der goed thuis­voe­len in het son­net; op het na­tuur­lij­ke rust­punt tus­sen twee­de kwa­trijn en eer­ste ter­zi­ne, na de be­heer­ste aan­loop van de eer­ste acht re­gels, haalt de dich­ter een laat­ste keer diep adem voo­rdat hij zich met de vleu­gels wijd ge­span­nen en de borst voor­uit de diep­te in werpt, de lief­de dan wel de dood te­ge­moet, de eeu­wig­heid in elk ge­val. In het epi­gram stort je bij voor­keur je hart niet uit maar he­kel je er pun­tig en be­knopt op los. De bal­la­de ver­wel­komt ie­der­een met volk­se strot en di­to ver­ha­len met open ar­men en een pak­kerd, maar toont zich min­der gast­vrij te­gen­over wie drie­de­lig stijf en tot in de ver­ste kroch­ten van de ziel en de uit­spraak be­schaafd, zegt ge­moed en roer­se­len te ko­men be­zin­gen.


¶ Of de es­ca­pa­de ooit zal dis­cri­mi­ne­ren aan de poort? De tijd moet het le­ren. Voor­als­nog is zij de­mo­cra­tisch en spor­tief voor zo­ver haar pro­du­cent dat is: in­hou­den van al­ler­lei soort vin­den uit­druk­king in haar, van car­na­val­es­ke tot pijn­lijk ern­sti­ge. Ach­ter­af­zaal­tje en con­cert­ge­bouw de­len een deur en die deur heet es­ca­pa­de: kom bin­nen.


¶ Waar en hoe vaak uit de band te sprin­gen op een be­stek van zes­tien re­gels, en hoe, hoe de in­ten­tie te ver­ta­len naar tek­sti­ge wer­ke­lijk­heid, dat is vol­le­dig aan de es­ca­pa­de­dich­ter; aan de es­ca­pa­de­dich­ter en nie­mand an­ders de op­dracht van de ver­ta­ling. Als diep in zijn bin­nen­ste dat ta­dúm ta­dúm maar on­ver­stoor­baar blijft dreun­en.


¶ Es­ca­pa­de­dich­ter: veel ont­snap­pings­kunst ge­wenst. En ook ont­snap­pings­ple­zier.


Tadúm tadúm