DE ILLUSIONIST
Zandman vindt Nietzsche in zijn brievenbus. Zandman leest Nietzsche en herkent zichzelf volledig in de leugenaar die zich wegliegt uit de werkelijkheid omdat hij eraan lijdt. Eggers, manager, stuurt Zandman samen met collega en meesterimitator Gompers naar een congres aan de andere kant van de wereld, waar ook oud-collega en Nietzsche-lezer Doorman zijn opwachting zal maken. Zandman, in de ban van Nietzsche op weg naar een werkelijker en feestelijker bestaan, probeert te ontsnappen aan de leugenaar die hij is, maar ziet hem steeds weer terug in de spiegel die meesterimitator Gompers hem dag en nacht onvermoeibaar voorhoudt. Doorman, inmiddels herenigd met zijn oud-collega's, lijkt ook zijn twijfels te hebben over een succesvolle ontsnapping. Gompers en Doorman, motorvrienden en snelheidsduivels, hebben allebei een Kawasaki Ninja gehuurd en dagen Zandman uit tot een race waarin niet alleen een fles wijn uit een wonderjaar op het spel staat. Zandman gaat waar de snelheid hem brengt. Nietzsche blijkt eens te meer gevaarlijk, maar nooit gevaarlijker dan zijn lezer.
DE ACT
“Wie heeft als
enige redenen om zichzelf uit de werkelijkheid weg te
liegen?” Onverbiddelijk trekt deze ene zin
Zandman het boek in dat zich een weg heeft gevonden tot in zijn
brievenbus. De schrijver van het boek zegt hem niet veel
(Nietzsche?) en van het boek zelf heeft hij al
helemaal nooit gehoord (De antichrist?),
maar het antwoord op de vraag is hem pijnlijk vertrouwd:
“Hij die eraan lijdt.”
De mens is een leugenaar, en in het geval van Zandman, zo
ontdekt hij, ook nog eens een hele grote. Wat volgt is een
krachttoer van een goocheltoer: zijn steeds geïnspireerder
onderneming om zich lezenderwijs van zijn leugenaarschap te
verlossen en zich een gloednieuwe status aan te meten.
Maar loopt de illusionist, met zichzelf als publiek en zijn
neus bovenop zijn act, niet altijd het risico de leugen in een
onnavolgbaar optreden voor een leugen te verwisselen?
De illusionist
© 2017 M. CLEMMINCK